[ Inhoud | English | Esperanto | Vorige | Hoger | Volgende ]
In april 1996 stelde zich het geval, waarbij het Vlaamse Gewest liever een verlaging van de vennootschapsbelasting had gezien ten einde de economie te doen heropleven. Aangezien deze belasting een federale aangelegenheid is, was gewestelijk minister van Economie Eric van Rompuy genoodzaakt een verlaging van de vennootschapsbelasting aan te vragen bij de federale regering.
Nu is het zo dat Vlaanderen 49% van de inkomsten via deze belasting levert, terwijl Brussel 33% levert en Wallonië slechts 18%, alweer een voorbeeld van een geldstroom, zij het deze keer vooral van Brussel naar Wallonië. Een verlaging van de belasting op het grondgebied van het Vlaamse Gewest zou zich natuurlijk ook laten gevoelen in de twee andere Gewesten, en dit mede in rekening gebracht leverde dat de federale overheid in totaal 37,2 miljoen euro aan inkomsten zou derven. Het Vlaamse Gewest was bereid dit rechtstreeks bij te passen, en er kon dus verwacht worden dat de federale regering deze gegarandeerde inkomsten maar al te graag zou willen aannemen.
Dit was echter buiten Wallonië gerekend. Aangezien de vennootschapsbelasting een federale bevoegdheid is, moet Wallonië in de verlaging toestemmen, of nog, de Waalse PS kan de verlaging botweg weigeren. Dit gebeurde dan ook bij monde van Robert Collignon , minister-president van het Waalse Gewest, en Jean-Claude Van Cauwenberghe , Waals minister van Tewerkstelling. De verlaging is er nooit gekomen.