[ Inhoud | English | Esperanto | Vorige | Volgende ]
Bij wet werd vastgelegd dat er pariteit moet gelden in de federale regering wat de taalverhouding betreft. Hiervoor kan eventueel de eerste minister wel of niet meegeteld worden om dat evenwicht te bereiken.
Afgezien van het feit dat hierdoor Vlamingen benadeeld worden, schuilt hier nog een ander addertje onder het gras. Nergens wordt geëist dat federale ministers tweetalig zouden moeten zijn, en in de praktijk blijkt dan dat een aanzienlijk deel van de Franstalige ministers Nederlands- onkundig zijn. Toppunt werd gevormd door Elio di Rupo in de regering Dehaene I, die in zijn hoedanigheid van Minister van Communicatie niet in staat was om de meerderheid van de bevolking in de eigen taal aan te spreken.
In het leger, en vooral dan op de beslissingsniveaus, is de verhouding niet eenvoudigweg scheefgetrokken naar een pariteit, maar is er zelfs een voordeel voor Franstaligen. Gevolg is dat het hogere kader van de Belgische troepen een vrijwel eentalig Franstalige bedoening is, wat zich bijvoorbeeld ook uit in de toewijzing van investeringen in het voordeel van Waalse of Franse bedrijven.
Begin 1995 geven de cijfers de volgende situatie aan bij de parakommando's. Van de 14 kolonels-parakommando zijn er 13 Franstalig en één Nederlandstalig, en deze laatste verblijft dan nog in de Westelijke Sahara. Vier van de 13 Franstaligen hebben geen grondige kennis van het Nederlands. Hiervan zijn er vier brigadegeneraal, namelijk drie Franstaligen en één Nederlandstalige. Van de 31 luitenant-kolonels zijn er 19 Franstalig en 12 Nederlandstalig. 13 van de Franstaligen en 7 van de Nederlandstaligen hebben geen grondige kennis van de andere landstaal. Van deze 31 luitenant-kolonels houden er zeven een stafbrevet, wat nodig is voor een verdere promotie. Hiervan zijn er vijf Franstalig en slechts twee Nederlandstalig.
Van de 32 majoors-parakommando zijn er 20 Franstalig en 12 Nederlandstalig. één Fransralige en één Nederlandstalige houden een stafbrevet. Bij de brigade parakommando zijn er vijf Franstalige en drie Nederlandstalige luitenant-kolonels, en alle brevethouders zijn Franstalig. Verder zijn er acht Franstalige en vijf Nederlandstalige majoors.
Ook de kansen op promotie zijn verschillend naargelang de taalrol waartoe men behoort, ook hier weer nadelig voor de Nederlandse taalrol. Voor de promoties die tussen 1985 en 1994 gebeurden gelden de volgende cijfers. In die periode waren er 18 bevorderingen van luitenant-kolonel tot kolonel-parakommando. Van de 35 Nederlandstalige kandidaten zijn er twee benoemd (6%), terwijl van de 64 Franstalige kandidaten er 16 benoemd werden (25%). Bij de bevorderingen van luitenant-kolonel tot majoor werden 37,5% van de kandidaten op de Franse taalrol en 27% van de kandidaten op de Nederlandse taalrol benoemd.
Deze cijfers zijn frappant, en niet alleenstaand in het leger. Ze doen het vermoeden rijzen dat het hier gaat om een bewuste politiek tot verfransing van het leger.
Doordat er een examen voor tweetaligheid moet afgelegd worden, slagen beduidend minder Franstaligen erin om toegelaten te worden. Dit vormt echter geen probleem: het examen wordt voor Franstaligen verlicht, en desnoods worden er in snel tempo maar een aantal Franstalige ambassadeurs benoemd om het evenwicht toch maar te bewaren.
De taalwet op de openbare bestuurszaken uit 1963 stelt dat elke openbare dienst taalkaders moet invoeren. Waar deze ingevoerd zijn, zijn ze echter gewoonlijk in het nadeel van de Vlamingen, d.w.z. ze weerspiegelen zelden de taalverhouding van de bevolking. Voor 1992 bijvoorbeeld werd bij de NMBS/SNCB het taalkader vastgesteld op 52% Nederlandstaligen tegen 48% Franstaligen. Dit betekent globaal een benadeling voor Vlaanderen met duizenden arbeidsplaatsen. Echter, niet elke openbare dienst kent taalkaders, zoals bijvoorbeeld het Gemeentekrediet.