[ Inhoud | English | Esperanto | Vorige | Hoger | Volgende ]
Voeren is een Vlaamse enclave, geprangd tussen de Waalse provincie Liège en Nederland. Vóór de taalwetten maakte het deel uit van die provincie Liège, maar het werd uiteindelijk aan de Vlaamse provincie Limburg toegewezen, terwijl Komen aan de Waalse provincie Henegouwen toekwam. Beide gemeenten kregen wel het statuut van faciliteitengemeenten, net zoals de Zes rond Brussel dit kregen.
De Francofone groep in deze gemeente heeft zich gegroepeerd in de politieke beweginging Action Fouronnaise, en komt bij gemeenteraadsverkiezingen op onder de naam Retour à Liège (Terug naar Liège). Zoals de naam aangeeft streven zij naar een terugkeer van de Voerense gemeente naar de provincie Liège met een Franstalig statuut. De hoofdfiguur in de beweging is José Happart , die tevens lid is van de Parti Socialiste (PS), en daar tot voor kort een redelijk grote invloed op had. Tot nu toe heeft deze beweging steeds de meerderheid behaald in deze gemeente, maar bij de laatste gemeenteraadsverkiezing van 1994 kwam slechts een meerderheid van één zetel uit de bus, met een verschil van slechts 200 stemmen, en voor de gemeenteraadsverkiezingen van het jaar 2000 ziet het ernaar uit dat een Vlaamse meerderheid zal gehaald worden. Aan deze verkiezingen zullen immers ook de meer dan 600 Nederlanders die in deze gemeenten wonen kunnen deelnemen.
De Voerense carrousel is een constante telkens er communautaire problemen ontstaan in België. De beproefde Waalse taktiek is dat ermee gedreigd wordt dat José Happart burgemeester zou worden, als eentalig Francofoon, als niet voldaan wordt aan één of andere eis. Praktisch draait dit erop uit dat de Vlamingen structurele toegevingen doen, niet alleen over het Voerense statuut maar ook over andere communtaire problemen, in ruil voor de Waalse symbolische toegeving dat José Happart voorlopig geen burgemeester wordt.
Uit vrees dat men in Voeren in het najaar van 2000 wel degelijk met een Vlaamse meerderheid in de gemeenteraad zal af te rekenen krijgen, is het waarschijnlijk dat deze werkzame taktiek nog eens gebruikt zal worden. In juli 1995 liet oud vice-premier voor de PS Philippe Moureaux weten dat de Franstaligen een bi-regionaal statuut zullen eisen bij de volgende communautaire onderhandelingen. Gevolg hiervan zou zijn dat die Vlaamse meerderheid vleugellam zou kunnen gemaakt worden, zodat een verder vervlaamsing van deze gemeenten kan tegengehouden worden.
De volgende bijdrage is van Rik Palmans , uit de nieuwsgroep news:soc.culture.belgium.
Vóór 1963 sprak meer dan 90% van de bevolking het lokale dialect, dat zeker als een Nederlands dialect mag worden beschouwd. Er waren uitsluitend Nederlandse kerkdiensten en de onderwijstaal was overal en uitsluitend het Nederlands. Alleen Remersdaal kende een uitzonderingssituatie, namelijk de zogenaamde "transmutatieklassen". Er waren wel heel wat leerlingen die het lagere onderwijs geheel of gedeeltelijk in een school in een Waalse buurgemeente volgden. Een nog groter aantal, misschien wel een meerderheid, volgde middelbaar onderwijs in het Frans, in Visé of Herve. De reden waarom was dat het dichterbij was, en omdat de ouders vonden dat je voor je beroepscarrière Frans moest kennen. Die ouders waren daarom niet Luiksgezind. Heel wat Voerenaars die overtuigd Vlaamsgezind zijn, volgden middelbaar en nadien meestal ook hoger onderwijs in het Frans. Alleen de meest Vlaamsgezinden stuurden hun kinderen naar Tongeren of naar een andere Vlaamse school, maar meestal betekende dat, gezien de geïsoleerde ligging van Voeren, internaat. Er was één uitzondering: een Franstalig pensionaat voor meisjes in 's-Gravenvoeren, maar dat trok vooral leerlingen van buiten Voeren aan. Zelfs uit Nederland, vanwaar meisjes speciaal naar België kwamen om Frans te leren.
Volledig Franstalige lagere scholen zijn er pas gekomen nà de overheveling van Liège naar Limburg. Die overheveling heeft, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, juist als een katalysator voor de verfransing gewerkt. Een belangrijke reden daarvan was dat er van oudsher relaties waren tussen de lokale notabelen en Luikse politici. Vlaamse politici daarentegen hadden eerder relaties met Voerenaars die in de oppositie (wat gemeentepolitiek betreft) of in het verenigingsleven waren te situeren. Die lokale notabelen zagen door de overheveling hun relaties (die erg belangrijk zijn voor een plaatselijk politicus!) waardeloos worden. Zij hebben het verzet tegen de overheveling op gang getrokken en de Voerenaars die tot hun partij behoorden, zijn hun daarin gevolgd. De tegenstelling Luiksgezinden-Vlaamsgezinden volgt dus de tegenstelling die de oude dorpspolitieke partijen verdeelde. En die hing eerder af van toevallige factoren (familie en verenigingsleven) dan van welke taal men thuis sprak. Zo waren (zijn) er diverse families in Voeren die door de taalstrijd verdeeld raakten, omdat broers en zussen in één familie niet noodzakelijk tot dezelfde dorpspartij behoorden.
Die dorpspolitieke tegenstelling is veruit de belangrijkste factor in de latere taalpolitieke scheiding. De Nederlands antropoloog, Hans van Laar , heeft een uitstekende studie [VLA88] daarover gemaakt (specifiek voor 's-Gravenvoeren) en aangetoond dat de tegenstelling van de dorpspartijen teruggaat tot de periode tussen de twee wereldoorlogen. Toen is de 'scheiding der geesten' begonnen, ook al sprak iedereen toen nog dezelfde taal. Toen al vonden een deel van de Voerenaars dat goede patriotten per definitie Franstalig zijn. Nu nog plakken de Franstalige Voerenaars maar al te makkelijk hun Nederlandstalige dorpsgenoten het etiket 'fascist' op.
Andere factoren zijn veel minder belangrijk, ook al worden ze, vooral in Vlaamsgezinde kringen, naar voor geschoven. Bijvoorbeeld: afhankelijkheid van pachters tegenover Franstalige kasteelheren (speelde waarschijnlijk alleen in het oosten van de streek een beperkte rol) en werken in Wallonië (heel wat overtuigd Vlaamse Voerenaars werken in het Luikse, en ze zijn daar zelfs bijzonder gegeerd omwille van hun perfecte tweetaligheid).
Economische factoren speelden natuurlijk een rol. Boeren verkochten hun vee vooral aan Waalse veekooplieden. Veel Voerenaars verrichtten hun aankopen in Aubel, waar ze wel vaak nog in hun eigen dialect terecht konden, Herve, Visé of Liège, maar ook in Maastricht. Werkgelegenheid betekende in de eerste plaats werk in het Luikse, eerder dan in Nederland, en zeker niet in Belgisch Limburg, dat voor de meeste Voerenaars ver en onbekend was. De meeste Voerenaars waren dus wel gewend om geregeld Frans te praten en vonden het vanzelfsprekend dat je die taal moest kennen. In de jaren dertig drong het gemeentebestuur er bij de provincie Liège nog op aan om het onderwijs van het Frans in de Voerense scholen te versterken. Maar het provinciebestuur wees die vraag van de hand...
De Nederlandse standaardtaal kenden de meeste Voerenaars alleen vanuit de school of van in de kerk. De kerkdiensten waren uitsluitend in het Nederlands. Ze zijn dat eigenlijk nog. Alleen in Remersdaal zijn Franse missen en bij 'persoonlijke aangelegenheden' (een huwelijk bijvoorbeeld) kunnen de mensen voor een Franse dienst kiezen. De meeste Luiksgezinden die nog naar de kerk gaan, volgen daarom een dienst buiten Voeren.
Er is nog één belangrijke indicatie van de taalverhoudingen in de Voerdorpen van de jaren zestig, namelijk het 'taalreferendum' van 1947. Belgie kende sinds zijn onafhankelijkheid dergelijke 'taaltellingen'. Maar vooral na de eerste wereldoorlog evolueerden die tot 'referenda'. Het zijn precies die tellingen die de taalgrens elke tien jaar wat meer naar het noorden deden opschuiven. Ze openden namelijk de deur voor wat in de tijd ook 'vooruitgang' betekende, namelijk de verfransing. (Waar kwam je immers in de wereld als je alleen maar je boerevlaams kende?) Zo steeg in Voeren het aantal Franstaligen van 18% in 1930 naar 52% in 1947. Ook elders kreeg men dergelijke onmogelijke uitslagen. Vlaanderen eiste dan ook steeds luider de afschaffing van deze tellingen en dat leidde uiteindelijk tot de grondwettelijke vastlegging van de taalgrens.
In Voeren had in 1963 de scheiding der geesten zich al voltrokken, ook al kon je de Luiksgezinden van die tijd amper als echte Franstaligen of Walen beschouwen. Maar de Vlaamse politici hebben het allemaal zwaar onderschat. Zij dachten dat de Luiksgezinden zich na wat gemor wel bij de overheveling zouden neerleggen. Misschien hadden ze dat wel gedaan als er vanuit Vlaanderen wat diplomatischer was gereageerd en naar samenwerking met de lokale notabelen was gestreefd. Nu, 33 jaar later, zijn de Luiksgezinden echte Franstaligen geworden. Anderzijds is de andere dorpspartij even vanzelfsprekend 'Vlaams' geworden, in die zin dat zij zich als burgers van het Vlaamse Gewest beschouwen. Er is zeker geen 'flamandisation' van de Voerdorpen gebeurd, maar het Vlaams bewustzijn is bij de helft van de bevolking wel sterk toegenomen.
Aan de getalsverhouding is sindsdien maar erg weinig veranderd. Hoewel de verhoudingen van dorp tot dorp nogal verschilden, kun je voor de zes dorpen samen spreken van een verhouding 60:40 Luiks-/Vlaamsgezinden. Die verhouding is een beetje gewijzigd in het voordeel van de Vlamingen. Maar dat heeft ook te maken met frustatie bij een aantal Franstaligen over de lamentabele manier waarop het gemeentebestuur (waarin de Luiksgezinden de meerderheid hebben) het gemeentebeleid de afgelopen jaren heeft verwaarloosd. Misschien zal de inbreng van de 13% Nederlands in 2000 zorgen voor het overslaan van de balans.
Tot zover de bijdrage van Rik Palmans .
Jean-Louis Xhonneux , voorzitter van het OCMW in Voeren en lid van de Action Fouronnaise verdedigt zijn standpunt eveneens op het Internet [XHO96].