De Duitse steun aan de Vlaamse beweging was geen alleenstaand verschijnsel: ook in Ierland, Finland, Oekraïne en Polen ondersteunde de Duitse regering nationalistische bewegingen die de macht van haar geallieerde tegenstanders konden ondermijnen. Door het voeren van een `Flamenpolitik' hoopten de Duitsers de Franse invloed in België af te remmen. Aanvankelijk boekte de Flamenpolitik overigens weinig succes. Veel belangstelling was er niet voor nieuwe `vlaamsgezinde' kranten. De betere toepassing van de taalwetten verwekte geen geestdrift. Meer bijval genoten activistische initiatieven ten bate van de oorlogsslachtoffers.
De belangrijkste verovering van de activisten was de Duitse beslissing de universiteit van Gent te heropenen op 24 oktober 1916, met het Nederlands als voertaal. Aldus nam de bezettende overheid, in strijd met de Internationale Conventie van Den Haag, een maatregel die een wijziging betekende van de bestaande Belgische wetgeving. Bijna alle hoogleraren en de meeste vlaamsgezinden wezen deze gunst van de Duitsers af. De gezaghebbende katholieke advokaat Dosfel aanvaardde echter een leerstoel. Door het feit dat de Belgische regering aan het front bleef weigeren te verklaren dat zij Gent na de oorlog zou vernederlandsen, groeide de aangang van het activisme.
Uit de verschillende activistische vereningingen ontstond in 1917 de
Raad van Vlaanderen die in december 1917, na een hartstochtelijk
pleidooi van de leraar Borms, de `zelfstandigheid' van Vlaanderen
uitriep. De `zelfstandigheid' werd echter door de Duitse bezetter niet
aanvaard. Aan de verkiezingen voor de samenstelling van die raad hadden
zowat 50.000 volwassen kiezers deelgenomen. Reeds in maart 1917 was de
bestuurlijke scheiding ingevoerd. Maar de kloof tussen de door de
oorlogsellende verbitterde bevolking en de (ook volgens hun tegenstanders)
meestal onbaatzuchtige en idealistische activisten was zo groot geworden dat
het activisme bij de Duitse nederlaag in november 1918 roemloos ten onder
ging.
Ontegensprekelijk vormden de activisten een minderheid onder de
vlaamsgezinden. Hun optreden was echter een provocatie, zowel voor de
loyaal-Belgische medestanders als voor de franskiljonse tegenstanders.
Terwijl deze laatsten de activisten scherp aanvielen op grond van het
eveneens versterkte Belgische nationalisme, wezen loyale flaminganten het
activisme af: zij vreesden dat Vlaanderen na een Duitse overwinning geen
weerstand zou kunnen bieden aan de verduitsing. In hun ogen brachten de
activisten de doelstellingen van de Vlaamse beweging in gevaar, zowel bij
de Franstalige landgenoten als bij de politiek onrijpe Vlaamse bevolking.
Ze waren ervan overtuigd dat die doelstellingen konden bereikt worden zonder
aan de politieke structuren van de Belgische staat te raken. Dat was het
standpunt van de meeste flaminganten: het werd actief verkondigd door
Van Cauwelaert, Huysmans en Hoste. Die loyale
flaminganten worden doorgaans passivisten genoemd. Het onhandige
en anti-Vlaamse beleid van de Belgische regering in Le Havre werkte de
verwijdering tussen de loyale flaminganten en de radicalen van de
Frontbeweging en het activisme in de hand.
De eerste wereldoorlog was een keerpunt in de geschiedenis van de Vlaamse beweging omdat ze in een stroomversnelling terechtkwam, waarin de vlaamsgezinden gedwongen werden tot verreikende persoonlijke beslissingen met grote gevolgen.
Laatste aanpassing: 1997-07-09
f.a.vanlaenen@ieee.org